Alsof Sponsor-Bob over m’n schouder had meegelezen. Nog geen twee minuten tevoren had ik een brief aan zijn Franse bazen in m’n computer gestopt, of Bob zelf zocht telefonisch contact. Was allemaal nooit zo bedoeld. Tuurlijk had ’ie nooit iemand de mond willen snoeren. En zeker mij niet. Uitsluiting was niet wat het leek. Kwam door een misverstand. Dacht dat een andere collega ook namens onze website het Zeeuwse kreeft- en bruisfestijn voor aankomende koks zou verslaan. Daarom en daarom alleen had ik al twee jaar geen uitnodiging voor deze culinaire krachtmeting ontvangen. Hoe kan het dan, dat de public relationsheer van de Stichting Oosterscheldekreeft, nauw bij de selectie van de ’gasten’ betrokken, een heel ander verhaal verspreidt? Daar gaat Bob niet verder op in.

Hij blijft erbij dat hij als sponsor van het kreeft-kannitoerisme nooit gunstige publiciteit heeft willen kopen of minder welgevallige buiten houden. Dat zou ook niet hebben gepast bij de bedrijfscultuur van een wereldconcern dat wel tegen een stootje lijkt bestand, hou ik Bob tussendoor even voor. Dan moet zo’n badinerietje als dat van mij toch kunnen. Tuurlijk vindt Bob. Want, zo laat hij mij merken, ook zijn incasseringsvermogen is wel op wat scherpe humor berekend. En ook met de uitleg over mijn werkwijze van destijds: hoor en wederhoor, stemt hij volmondig in.
Afwegen
Excuses voor het misverstand. En ik krijg beslist weer een invitatie. Ternminste, als Bob en zijn bazen besluiten deze imagoversterkende activiteit in Zeeland voort te zetten. Want dat staat niet bij voorbaat vast, laat hij doorschemeren. Het moet voor een sponsorend concern wel zinnig blijven. Met die ‘support’ hou je weliswaar de horeca stevig aan de gang, maar daartegenover moet wel het rendement voor het bruishuis op langere termijn worden afgewogen. Omzet- of beeldversterkend, dat is meestal de ‘target’. Ik zeg Bob dat ik de voorgenomen brief aan z’n Franse bazen niet zal versturen. En dat ik ook andere initiatieven om (de totnogtoe vermeende) preventieve censuur tegen te gaan niet zal doorzetten. Ik vraag dus geen uitspraak aan de Raad voor de Journalistiek over de vraag of in een democratie als de onze, bijna internationaal kampioen van het vrije woord, een sponsor een journalist mag belemmeren z’n werk te doen door met muilkorven of uitsluiting te leuren. En dat zou het geval zijn wanneer een te goeder naam en faam bekend staande columnist de toegang tot een openbaar kookfestival zou worden onthouden. Ik vraag Bobs Franse superieuren ook niet meer om hem in concernstijl te corrigeren en en hem zijn excuses te laten aanbieden. Want zoals gezegd: precies op de dag dat ik daarover beslissingen zou nemen, belt Bob zelf al. Hij blijft wel in zijn rol als quasi-nonchalant chique sponsor en breeddenkend zakenman. En het treft mij, als fervent criticus van onbeholpen beroepssprekers als politici en presentatoren, aangenaam hem zonder enige hapering te horen formuleren, zoals ons land dat al sinds Willem Duys is afgeleerd.
Smartegeld
Sponsor-Bob heeft de ‘guts’ om de zaak met mij op te nemen en op zijn manier uit de wereld te helpen. Op zo’n moment wordt hij voor mij dan ‘de heer Bron’. We drinken er straks een pittig glaasje bubbels op. Of Bob zou mij nu al smartegeld moeten willen toebedelen. Want champagne MOET, liefst elke dag. Het zijn de puntjes op de E die ’t hem doen.